Vorig jaar schreven we over K-EET: het landelijke netwerk dat zich inzet om eetstoornissen bij kinderen en jongeren eerder te signaleren. De ambitie is helder: eetstoornissen sneller herkennen, beter begrijpen en eerder passende hulp bieden. Hoe ziet dat er in de praktijk uit? En wat moet er gebeuren om die landelijke ambitie ook regionaal waar te maken?

In Rivierenland krijgt die ambitie sinds 2022 concreet vorm in het multidisciplinair overleg (MDO) Eetstoornissen Rivierenland. Hier komen kinderartsen, psychologen, diëtisten, ervaringsdeskundigen en andere professionals maandelijks samen om kennis te delen, complexe casussen te bespreken en elkaar te adviseren. Kinderdiëtist Wilma Hooft stond aan de basis van dit multidisciplinaire overleg. Samen met Wesley Hekhuizen, procesleider van K-EET Gelderland, blikt zij terug op wat het MDO oplevert én welke lessen andere regio's hiervan kunnen meenemen.

Beginnen met wat je zelf mist
Het MDO ontstond niet vanuit een kant-en-klaar plan, maar vanuit een gezamenlijke behoefte. Tijdens de eerste bijeenkomsten van K-EET werd duidelijk dat veel professionals dezelfde vragen hadden. Hoe herken je een beginnende eetstoornis? Wanneer verwijs je door? En vooral: wie kun je bellen als je twijfelt? "We merkten dat we zelf kennis misten en elkaar onvoldoende kenden," vertelt Wilma. "Dus zijn we begonnen met leren." De eerste periode stond daarom vooral in het teken van deskundigheidsbevordering. Er werd scholing gevolgd, casussen werden besproken, en stap voor stap ontstond een beeld van de regionale zorg. Pas daarna groeide het MDO uit tot een vast aanspreekpunt voor huisartsen, jeugdartsen, jeugdverpleegkundigen, maatschappelijk werkers en andere professionals. "Je moet zo'n netwerk blijven uitleggen," zegt Wilma lachend. "Nog steeds vragen huisartsen me soms: 'Hoe zat het ook alweer met dat MDO?' Dat laat zien dat samenwerken onderhoud vraagt."

Van overleg naar passende zorg
Dat die samenwerking werkt, blijkt uit de casus van een veertienjarig meisje dat bij kinderdiëtist Wilma terechtkwam. Ze had overgewicht en was streng gaan lijnen. Achter het gewichtsverlies bleek een beginnende eetstoornis schuil te gaan. In de tijd dat ze wachtte op psychologische behandeling, hielden de huisarts en Wilma samen haar lichamelijke gezondheid in de gaten. Stap voor stap werkten zij aan het herstel van haar eetpatroon. "Als we hadden gewacht, was een opname waarschijnlijk onvermijdelijk geweest. Nu konden we haar begeleiden in de eerste lijn." Volgens procesleider Wesley laat dit precies zien waar K-EET voor bedoeld is: specialistische kennis eerder beschikbaar maken, zodat kinderen sneller passende hulp krijgen en zwaardere zorg waar mogelijk wordt voorkomen.

Vroegsignalering begint niet alleen in de spreekkamer
Die samenwerking stopt niet bij de zorg. Ook scholen spelen volgens Wilma een belangrijke rol. "Leerkrachten zien kinderen iedere dag. Zij merken vaak als eerste dat er iets verandert." Soms zit vroegsignalering in iets ogenschijnlijk kleins. Zo ging Wilma met een basisschool in gesprek over de lunchpauze. Sommige kinderen hadden nauwelijks tijd om rustig te eten. De school besloot daarop zelf de pauzes anders in te richten, met meer ruimte om te eten en te bewegen. "Dat initiatief kwam overigens vanuit de school zelf," benadrukt Wilma. "Maar het laat wel zien wat er gebeurt als je samen het gesprek aangaat."

Tijd die er eigenlijk niet is
Een netwerk als dit onderhouden kost tijd en die tijd moet ergens vandaan komen. In 2024 kreeg het MDO tijdelijk budget als pilot binnen K-EET, waarmee de eerste opzet en scholing bekostigd konden worden. Toen die financiering wegviel, bleef er geen structureel vervolg over. Ook daar wringt iets: als diëtist is Wilma vaak degene die een beginnende eetstoornis als eerste signaleert, maar voor diëtisten wordt slechts een paar uur per jaar vergoed, tegenover relatief flink meer uur voor bijvoorbeeld een fysiotherapeut. Voor structurele samenwerking zoals in Rivierenland is dus wel degelijk financiering nodig, bijvoorbeeld vanuit gemeenten. Dat het MDO nu vooral overeind blijft dankzij de betrokkenheid van de deelnemers zelf, zegt volgens Wilma vooral iets over hoezeer zij achter de meerwaarde ervan staan - niet omdat het zonder financiering kan.

Wat kunnen andere regio's hiervan leren?
Volgens Wilma en Wesley is de belangrijkste les dat een netwerk niet vanzelf ontstaat. Investeer eerst in relaties en opleiding, daarna pas in casuïstiek. Zorg dat professionals elkaar kennen en elkaar laagdrempelig weten te vinden. Betrek ook scholen en gemeenten, want juist daar worden de eerste signalen vaak gezien. En misschien wel het belangrijkste: zorg voor iemand die de samenwerking organiseert. "Een netwerk bouw je niet in een project van twee jaar," zegt Wilma. "Je hebt een verbinder nodig die de lijnen kort houdt en ervoor zorgt dat de samenwerking blijft bestaan." Juist daarvoor is structurele ruimte nodig en volgens Wesley zit daar ook de grootste winst. "Investeren aan de voorkant vraagt tijd, maar levert uiteindelijk betere zorg op. Hoe eerder professionals elkaar weten te vinden, hoe groter de kans dat kinderen en gezinnen snel de juiste ondersteuning krijgen."